
Een betrokkene na een verkeersongeval. Het lichamelijk onderzoek levert niets op. De MRI is blanco. Toch rapporteert hij dat zijn benen het soms volledig laten afweten, letterlijk wegzakken onder hem, zonder aanwijsbare oorzaak. Of een vrouw die keer op keer vertelt dat haar hand trilt als ze schrijft, maar niet als ze iets anders doet. Een jongeman die aangeeft soms niet meer te kunnen lopen, terwijl hij een uur later gewoon staat te koken.
U herkent het patroon wellicht: klachten die fluctueren, neurologisch onderzoek dat niets aantoont, en een betrokkene die toch duidelijk beperkt is. In steeds meer dossiers staat inmiddels ook de naam: functioneel neurologisch syndroom, afgekort FNS.
Dit artikel legt uit wat FNS is, hoe de diagnose tot stand komt, en belangrijker voor uw praktijk: welke discussies u kunt verwachten en hoe u die goed kunt duiden.
Wat is FNS
FNS is een stoornis van het functioneren van het zenuwstelsel. De aansturing van beweging, gevoel of bewustzijn is ontregeld, zonder dat er sprake is van aantoonbare schade. Het probleem zit niet in beschadiging, maar in de verwerking van signalen door het brein.
Klachten bestaan onder andere uit krachtsverlies, tremoren, afwijkende bewegingen, gevoelsstoornissen, loopproblemen en episodes van afwezigheid. Wat deze klachten bindt, is hun wisselend karakter. Ze nemen toe onder stress of bij vermoeidheid. Ze variëren van dag tot dag, soms van uur tot uur. Ze zijn reëel en niet bewust opgewekt.
Waar dit beeld vroeger werd aangeduid als conversie of dissociatie, wordt het nu gezien als een neurologisch ziektebeeld. De Nederlandse Vereniging voor Neurologie erkent dit. Tegelijkertijd blijft het een aandoening die zich lastig laat vangen in bestaande medische kaders.
Diagnose: klinisch en gebaseerd op positieve kenmerken
De diagnose FNS is primair klinisch. Dat wil zeggen: de neuroloog stelt haar vast op basis van wat hij ziet en onderzoekt, niet op basis van een scan of bloedtest.
De anamnese speelt een centrale rol. De neuroloog vraagt naar het ontstaan van de klachten, het beloop, en factoren die de klachten beïnvloeden. Vaak is er een uitlokkend moment: een val, een botsing, een operatie, maar de klachten kunnen zich ook geleidelijk ontwikkelen na de initiële gebeurtenis.
Bij het lichamelijk onderzoek worden zogeheten positieve tekenen gezocht: bevindingen die herkenbaar zijn voor FNS en niet verklaard worden door structurele schade. MRI, CT of EMG worden ingezet om andere aandoeningen uit te sluiten. Het ontbreken van afwijkingen op deze onderzoeken is geen tekortkoming van de diagnose, maar een bevestiging: er is geen structurele schade, maar er is wel iets aan de hand.
De diagnose rust daarmee op drie pijlers: een herkenbaar klinisch beeld, positieve bevindingen bij onderzoek, en het ontbreken van een alternatieve verklaring.
Behandeling en prognose
FNS is behandelbaar, maar de prognose verschilt per patiënt. De behandeling richt zich op herstel van functioneren, niet op het wegnemen van een structurele afwijking, die is immers niet aanwezig.
In de praktijk wordt gewerkt met een combinatie van fysiotherapie gericht op bewegingspatronen, psychosomatische therapie en zo nodig psychologische begeleiding. Revalidatiegeneeskundige centra werken hierbij multidisciplinair.
Een deel van de patiënten herstelt volledig. Een deel gedeeltelijk. Bij een deel blijven klachten op langere termijn bestaan. De duur van de klachten voor aanvang van behandeling, de aanwezigheid van comorbiditeit en de psychosociale belasting spelen een rol in de uitkomst.
Voor de letselschadepraktijk is het relevant dat een langere behandelduur en een minder volledig herstel niet automatisch duiden op gebrek aan medewerking of op een pre-existente kwetsbaarheid, beide horen bij het ziektebeeld.
De praktijk: de worsteling bij een expertise
In een recente letselschadezaak werd bij een betrokkene de diagnose motorisch FNS gesteld. De neuroloog beschreef duidelijke positieve kenmerken bij onderzoek. Er was een afwijkend looppatroon, wisselend krachtsverlies en een tremor die verdween bij afleiding. De diagnose werd onderbouwd met literatuur.
Tegelijkertijd werd in dezelfde rapportage uitgebreid stilgestaan bij inconsistenties. Variatie in klachten, verschillen tussen wat betrokkene aangaf en wat werd gezien, en onduidelijkheid over het moment van ontstaan van klachten.
De expertisearts benoemt daarmee precies waar de moeilijkheid zit. Enerzijds is er medisch voldoende basis om de diagnose FNS te stellen. Anderzijds ontbreekt een goed kader om de beperkingen te duiden en te kwantificeren.
Er wordt expliciet aangegeven dat bestaande richtlijnen geen handvatten bieden voor het vaststellen van functieverlies bij FNS. Ook wordt benoemd dat binnen de neurologie nog geen volledige consensus bestaat over de beoordeling van dit ziektebeeld.
Daar komt bij dat kenmerken van FNS, zoals fluctuatie en variabiliteit, in de beoordeling worden ervaren als inconsistentie. Wat medisch past bij het ziektebeeld, schuurt met de behoefte aan objectieve en stabiele gegevens in een letselschadecontext.
Ook het causaal verband wordt genuanceerd. Het ongeval wordt gezien als mogelijke uitlokkende factor, maar niet als directe oorzaak. Dit is medisch verklaarbaar, maar leidt in de praktijk tot discussie over toerekening.
Het resultaat is een rapport waarin de diagnose wordt erkend, maar de vertaling naar beperkingen en schade moeilijk blijft.
Neurologie en beperkingen: verschillende werelden
De neuroloog stelt de diagnose. Dat is zijn expertise. Maar bij FNS loopt hij vast op het moment dat beperkingen moeten worden gekwantificeerd.
De verzekeringsarts kijkt juist naar functioneren en belastbaarheid. Die benadering sluit beter aan bij een ziektebeeld als FNS. Wat kan iemand nog, wat niet meer, en hoe ziet de belastbaarheid eruit in het dagelijks leven en werk.
Dit betekent dat beide perspectieven nodig zijn. De neurologische expertise voor de diagnose. De functionele beoordeling voor de beperkingen.
Waar het misgaat
In de praktijk worden kenmerken van FNS vaak verkeerd geïnterpreteerd.
Het ontbreken van objectieve afwijkingen wordt gezien als bewijs dat er weinig aan de hand is, terwijl dit juist kenmerkend is voor FNS.
Fluctuatie van klachten wordt gezien als inconsistentie, terwijl dit onderdeel is van het ziektebeeld.
Het ontbreken van een beoordelingskader leidt tot terughoudendheid in het erkennen van beperkingen.
Hierdoor ontstaat een situatie waarin de diagnose wordt geaccepteerd, maar de gevolgen onvoldoende worden meegewogen.
Hoe komen we verder
FNS wordt steeds vaker herkend. Dat is een belangrijke stap. Tegelijkertijd lijkt de praktijk nog zoekende in de manier waarop we met dit ziektebeeld omgaan binnen letselschadezaken.
Het roept vragen op. Hoe wegen we klachten die niet objectief zichtbaar zijn, maar wel duidelijk het functioneren beperken? Hoe gaan we om met fluctuatie zonder dit direct als inconsistentie te duiden? En hoe vertalen we een klinisch gestelde diagnose naar concrete beperkingen?
Dit vraagt om uitwisseling en verdere ontwikkeling. Niet alleen binnen de neurologie, maar juist ook tussen medisch adviseurs, verzekeringsartsen en juristen.
De vraag is dan ook aan collega’s in het veld: hoe gaan jullie hiermee om? Welke handvatten gebruiken jullie bij de beoordeling van FNS? En hoe zorgen we ervoor dat dit ziektebeeld, net als andere aandoeningen, op een consistente en zorgvuldige manier wordt beoordeeld?
Want uiteindelijk gaat het om dezelfde kern. Niet wat zichtbaar is, maar wat iemand daadwerkelijk nog kan.

